Het verhaal van Verdwaalde Peter

“Hee, pap. Wie woont er daar in dat kleine hutje?”

vroeg het jongetje aan zijn vader, terwijl hij wees naar een houten hutje dat boven op de berg stond.

“Dat is het hutje van Verdwaalde Peter. Een oude legende.”, antwoordde de vader met een peinzende frons op zijn gezicht.

Peter was niet getekend, maar bekrast door het leven. Mensen begrepen Peter niet en hij hen al helemaal niet. Zijn moeder, zijn vader, zijn leeftijdgenoten en de man op de hoek vonden hem altijd maar een rare jongen. Schichtig liep hij door de straat, gebogen onder zijn eigen schouders met een onbegrip voor alles om zich heen. Als een hond met de staart tussen de benen bewoog hij zich door zijn dagen. Dus besloot hij weg te gaan. Als hij dan toch de enige bewoner op zijn eiland was, dan maar op een echt eiland. Hij nam geen afscheid. Verbitterd door de jaren begon hij te struinen. Met niet meer dan een knapzak op zijn schouder en een zakmes in zijn broekzak, nam hij een verre hei als richting. Peter kwam terecht in de diepste kronkels van deze wereld, waar hij uiteindelijk iemand vond die hem wel begreep. Een vrouw die luisterde naar zijn mooie verhalen, een vrouw die niet oordeelde, een vrouw met een moederlijke uitstraling waarbij Peter plaats mocht nemen op haar schoot, met haar borst als kussen. Ze had lange haren met de kleur van herfstbladeren die elegant haar borsten bedekten. Een rafelende grasgroene jurk hing daaronder.

Met niet meer dan een knapzak op zijn schouder en een zakmes in zijn broekzak, nam hij een verre hei als richting.

Peter dacht zijn plek gevonden te hebben. Hier kon hij rustig, samen met de vrouw die hem omhelsde als een moeder, zijn dagen doorkomen. Dus hij besloot zijn hutje te bouwen. Klein en bescheiden. Gehakt uit omgevallen bomen. Een kleine haard in de hoek, een krakende schommelstoel, wat stoffige boeken en een ijzeren pan aan de muur. Maar nog steeds bewoog Verdwaalde Peter zich onder de schichtigheid van voorzichtigheid en kwam hij haast zijn hutje niet uit.

Wat Peter niet wist, was dat de emoties van de vrouw heftiger waren dan hij lief had. Wanneer ze verdrietig was, regende het druipend verdriet en bleven alle vogeltjes thuis. Was ze blij, dan liet de zon met al haar zaligheid zien hoe mooi ze kon schijnen, en dansten alle diertjes op tafel. Was ze boos, dan ronkten de wolken naar donder en bliksem, en blies de wind alles en iedereen weg.
En zo geschiedde, met de onvoorspelbaarheid van een lentestorm brak die dag van onheil aan. Ze barstte los in een hellestorm van regen en wind die de aarde liet trillen. Alleen de sterkste bomen met de diepste wortels konden dit weerstaan. De dieren die niet op tijd hun holletje hadden bereikt  vlogen in het rond. En zo ook het gammele hutje van Verdwaalde Peter. Hij werd op getild en meegenomen, omhoog geblazen en weggegooid. Ergens op een berg, hoog en eenzaam, werd hij weer neergezet. Drenkend in zijn eigen gedachten, wekend in de gevolgen van haar acties. Maar al snel begreep Verdwaalde Peter waarom ze dit had gedaan.

Hij begreep nu dat het leven zo snel voorbij kan zijn, dat het geen enkel nut heeft om bang te wachten. Afwachten is slechts uitstellen en uitstellen is het broertje van opgeven. Hij heeft nu ervaren dat de wereld zo groot is en dat er altijd wel ergens een plekje voor jou op je wacht. Verdwaalde Peter is verdwaald niet meer. Nu trekt hij rond, hopend dat de moeder der natuur haar spierballen nog één keer aanspant, en zijn hutje misschien wel op die hei zet.

Moraal van dit verhaal? Iedereen kent wel een Verdwaalde Peter. Je hoeft hem alleen maar het juiste pad te laten zien…

We gebruiken cookies die voor een optimale gebruikerservaring zorgen. Door deze melding te accepteren, of door gebruik te blijven maken van onze website weten we dat je hiermee akkoord gaat.

Accepteren Meer informatie